Ronnie

Van Gilsestraat. Hier is het zondag om half elf rustig.
Wat was het vroeg vanochtend. Maar zoals zijn grootvader altijd al zei: ‘De vroege vogel vangt de wurm.’
En zo was het.De Rendang staat al te pruttelen.
De telefoon gaat: ‘Met Ron. Ja, is goed, toeter nog even als je in de buurt bent.’
‘Ja, is ook goed, het keukenraam staat open.’ Straks komt iemand de scanner halen.
Marktplaats. Ja, hij moest ervan af. Deed niks meer met dat ding.
Daarna komt ze. Z’n moeder. Wel nog even stofzuigen.
Zijn katten luisteren aandachtig. Maar hebben eigenlijk nog niks te eten gehad.
Zijn slanke, iets kromme vingers maken haastig een plastic pakje open, hij werkte bij de plantsoendienst.
Hoeveel stukjes groen hij niet kan aanwijzen waar hij nog op z’n knieën heeft gezeten.
’Ronnie gaat even de vuilnis buitenzetten.’ Zijn duidelijk Amsterdams accent.
De katten zijn tevreden. De tv staat aan. Voordat iemand er erg in heeft, klinkt er een fietsbel.
God is het alweer één uur? ’Ja, ik kom eraan.’ De keukendeur gaat open.
Ron houdt zijn handen ongemakkelijk voor zich.‘Mijn handen zijn vies, ben Rendang aan het maken.’
Twee jonge mensen. De jongen met een groene legerjas en het meisje met een leren jasje.
Ron, Ronnie, zo stelde hij zich voor.
Hier is ie, de scanner. Hij is een beetje vies. Even een doekie erover. Alles zit erbij.
Met het geld in zijn hand gaat hij terug naar binnen.
Van Gilsestraat. Hier is het zondag om half twee rustig.
Zijn moeder komt zo. Maar zoals zijn grootvader altijd al zei: ‘Een gram moeder is een ton priester waard.’